|
Snelheidsverschillen
Gemeten door middel
van uitrolproeven
Door
Bert Hoge
Snelheid is voor veel fietsers een belangrijk
aspect van het fietsen. Daarom heeft de Nederlandse
Vereniging van Human Powered Vehicles in 1993
een plan geopperd om samen met het blad Fiets,
snelheidsverschillen te gaan meten tussen verschillende
soorten fietsen.
Op de Nederlandse markt worden momenteel fietsen
aangeboden, welke qua constructie en fietshouding
sterk van elkaar verschillen. Snelheidsverschillen
van enige importatie mogen daarom worden verwacht.
Snelheid bij een fiets is eigenlijk alleen interessant
in relatie tot het vermogen wat je als fietser
moet leveren.
Het vermogen is daarbij een goede graadmeter
voor de geleverde inspanning. Om op een objectieve
manier (door meten) inzicht te verkrijgen in
de grootte van deze snelheidsverschillen zijn
diverse meetmethodes mogelijk. Besloten werd
om door middel van uitrolproeven het vermogen
indirect te bepalen als functie van de snelheid.
De meetmethode
Bij uitrolproeven wordt de afname van de snelheid
als functie van de tijd gemeten, waarbij de
fietser de benen stilhoudt (geen vermogen levert).
De vertraging, welke de fiets plus fietser dan
ondervindt is afhankelijk van de:
-luchtweerstand van fiets plus fietser
-rolweerstand van de banden
-wrijvingsweerstand van wielnaven plus freewheel
-de massa van fiets plus fietser.
De wrijvingsweerstand van wielnaven plus freewheel
wordt vanwege het geringe aandeel in het totale
vermogen buiten beschouwing gelaten.
Indien
we de totale weerstandskracht op de fiets plus
fietser F noemen, dan volgt uit de wet van Newton:
F
= M x a.
F
wordt uitgedrukt in N(ewton),
a is de versnelling (hier vertraging) in m/sec2
en
M de massa in Kg. Het benodigde vermogen kan
daarom ook worden geschreven als
P=M
x a x V.
Meten
De afname van de snelheid als functie van de
tijd werd gemeten met behulp van een videocamera.
Er werd een meettraject van 15 vakken van elk
10 m uitgezet in totaal 150 m. Elk vak wordt
aan het begin en eind gemarkeerd. Door nu gebruik
te maken van het gegeven dat een videocamera
25 beeldjes per seconde opneemt, kan de snelheid
en~ tijd per meetvak worden bepaald. Op deze
wijze worden ongeveer 1 5 verschillende snelheden
als functie van de tijd gemeten. Het aantal
meetpunten kan afhankelijk van de grootte van
het te meten snelheidsgebied eventueel worden
verkleind of vergroot.
Berekenen
Vervolgens
worden de verkregen meetpunten beschreven door
een wiskundige curve, waarin de snelheid als
functie van de tijd vastligt. Op elk moment
binnen de uitroltijd is de snelheid en vertraging
te berekenen. De massa van fiets plus fietser
kan direct worden gemeten door middel van een
weegschaal. Uit de eerder genoemde formule
P=M x a x V kan bij elke snelheid (binnen het
meetgebied) het vermogen worden bepaald.
De op deze wijze berekende en gemeten snelheden
verschilden minder dan een 0,5% van elkaar.
Het voert in dit bestek echter te ver om in
detail in te gaan op de natuurkundige en wiskunde
achtergronden van de gebruikte meetmethode.
S.R.M.-meter
Het vermogen en de snelheid kan ook direct worden
gemeten met behulp van een S.R.M.-meter. Deze
meter van de firma S.R.M. meet de pedaalkracht
in combinatie met de pedaalfrequentie. Hierbij
levert, in tegenstelling tot de uitrolmethode,
de fietser het vermogen. Het vermogen wordt
met behulp van een speciale fietscomputer berekend
en weergegeven. De meetresultaten kunnen ook
achteraf worden weergegeven en bewerkt met een
P.C.
In de praktijk blijkt dat toepassing van de
S.R.M.-meter als vermogensmeter bij dit onderzoek
minder geschikt is. Tijdens het fietsen met
een constante snelheid fluctueerde het aangegeven
vermogen zodanig, dat een verantwoorde uitspraak
over snelheidsverschillen bij een constant vermogen
niet mogelijk is. Slechts na lange oefentijd
kan het vermogen redelijk constant worden gehouden
bij een constante snelheid. Bij dit onderzoek
zijn echter veel fietsen gemeten en het zou
daarom teveel tijd kosten om de S.R.M.-apparatuur
op de fietsen te (dé)monteren. Als vermogensmeter
bij bijvoorbeeld fietstrainingen en conditietesten
buiten, is deze meter echter uitstekend geschikt.
De S.R.M.-meter is in het onderzoek alleen als
snelheidsmeter toegepast als controlemeting,
waarbij elke seconde de gemeten snelheid in
de fietscomputer wordt opgeslagen. Tot zover
de S.R.M .-meter.
Meetomstandigheden
Bij
het bepalen van de grootte van snelheidsverschillen
bij een constant benodigd vermogen, moeten de
meetomstandigheden ook constant worden gehouden.
Daarom werd gemeten in een hal (veilinghal te
Poeldijk) met een vlakke vloer. Indien buiten
wordt gemeten is het risico te groot dat de
bijna altijd fluctuerende windsnelheid en richting
een goede meting onmogelijk maken. Ook werd
een vast meettraject uitgezet in de hal om invloeden
van verschillen in vlakheid en ruwheid op te
heffen. Als fietser, op de ongestroomlijnde
fietsen, heeft steeds dezelfde persoon gefungeerd.
Uitrollen
Bij
een geheel omstroomlijnde fietser is alleen
het frontoppervlak en de Cw-waarde van de stroomlijn
bepalend voor de luchtweerstand en niet die
van de fietser. De fietsen werden op snelheid
gebracht en vervolgens hield de fietser de benen
stil ongeveer 20 m voor het eerste meetvak.
Het uitrollen over de 15 markeringspunten op
de vloer werd gefilmd door een cameraman, gezeten
achter op een motor. De motorrijder bevond zich
naast de fiets op een afstand van ongeveer
7 m, om een ongehinderde luchtstroming om de
fiets plus fietser mogelijk te maken. Elke meting
werd eenmaal herhaald om te controleren of de
2e meting dezelfde meetresultaten opleverde.
Dit bleek inderdaad het geval, hetgeen aangeeft
dat de meetomstandigheden steeds dezelfde waren
en de meting goed reproduceert. Op deze wijze
zijn 19 verschillende meetobjecten (fiets en/of
fietshouding) op één dag gemeten.
De
meetobjecten
De omschrijving van de meetobjecten kan als
volgt worden weergegeven:
1
Omstroomlijnde driewieler ligfiets (Alleweder):
hoofd alleen buiten de stroomlijn 3 x 20 inch
wielen (2 voor en 1 achter) fietshouding en
testpersoon niet van belang vanwege stroomlijn
totale massa M= 117 kg
2
Lage tweewieler ligfiets: 28 inch achterwiel
en 20 inch Voorwiel fietshouding: liggend, romphoek
30º bovenstuur, fietsjack De fietser heeft
een ruimzittend fietsjack aan. M=80,5 kg
3:
Idem als meetobject 2, maar nu zonder fietsjack
M=80 kg
4
Lage tweewieler ligfiets (Flevobike) 20 inch
voor- en achterwiel fietshouding: liggend romphoek
30º onderstuur, fietsjack M=82 kg
5
Idem als meetobject 2, maar nu zonder fietsjack
M=81.5 kg.
6
Idem als meetobject 5, maar nu zijn de armen
maximaal geknikt en tegen de borst gedrukt.
M=81,5 kg
7
Standaard racefiets 2 x 28 inch wielen fietshouding:
zittend, romphoek 40º, ligstuur M=80kg
8
Idem als meetobject 7, maar nu voorzien van
een gedeeltelijke stroomlijn (Zipper) gemonteerd
op het ligstuur Afmetingen stroomlijn 50 x 50
cm en 50 cm. Diep. M=80.4kg
9
Idem als meetobject 8, maar nu trapt de fietser
achteruit bij het uitrollen M=80.4kg
10
Gestroomlijnde lage tweewieler ligfiets, hoofd
alleen buiten de stroomlijn 28 inch achterwiel
en 20 inch voorwiel fietshoudingen en testpersoon
niet van belang vanwege stroomlijn M=117 kg
11
Racefiets met monocoque frame (vleugelprofiel
Zipp) 2 x 28 inch wielen, 3-spaaks voorwiel
en dicht achterwiel fietshouding: zittend, romphoek
10º, Iigstuur M=77.5 kg
12
Idem als meetobject 11, maar nu met een 5-spaaks
28 inch voor- en achterwiel M=77.5 kg
13
Als meetobject 11, maar nu met een conventioneel
gespaakt 28 inch voor- en achterwiel M=77.5
kg
14
Idem als meetobject 10, maar nu zonder stroomlijn
fietshouding: liggend, romphoek 20º, bovenstuur
M=86 kg
15
Hoge tweewieler ligfiets (zithoogte ±65
cm.) 28 inch achterwiel en 20 inch voorwiel
fietshouding: liggend, romphoek 30º, onderstuur
M=84 kg
16
Racefiets met vering (Allsop) 2 x 26 inch wielen
fietshouding: zittend, romphoek 10º, ligstuur
M=79 kg
17
Standaard A.T.B. 2 x 24 inch wielen, noppenband
AIR 3 bar. fietshouding: zittend, romphoek 30º,
AIR-stuur M=78kg
18
Vouwbare fiets met vering (Moulton) 2 x 17 inch
wielen fietshouding: zittend, romphoek 30º,
recht stuur M=80 kg
19
Hoge tweewieler ligfiets (zithoogte ±
60 cm.) 2 x 28 inch wielen fietshouding: liggend,
romphoek 45º, onderstuur, fietser lengte
1.95 m. fietskleding: slobbertrui + spijkerbroek
M= 111 kg
Toelichting
Alle meetobjecten
zijn voorzien van smalle hoge druk banden (7
bar), behalve meetobject 17 (AIR). De zithoogte
van de lage ligfietsen is 25 â 30 cm.
De romphoek is de hoek die de romp van de fietser
maakt met het wegdek.
De meetresultaten
Van
elk meetobject is een vermogensnelheidsprofiel
in een lijngrafiek weergegeven (niet afgebeeld).
De snelheidsverschillen tussen de meetobjecten
is als staafdiagram weergegeven voor een constant
vermogen van 250 W (Grafiek 1).
Een vermogen van 250 W is door een getraind
fietser gedurende één uur goed
te leveren.
In
grafiek 2 zijn de snelheden bij 250W en 190W
weergegeven.

Conclusies
Rij
interpretatie van de meetresultaten kunnen in
grote lijnen de volgende conclusies worden getrokken.
1eDe stroomlijn
(als getest) geeft de lage tweewielige fiets
een snelheidstoename van ongeveer 5 â
6 km 1uur (Nr. 10, 14 en 3).
2e
De gestroomlijnde tweewieler (nr.1) laat een
3 á 4 km/uur hogere snelheid zien dan
bijvoorbeeld de racefietsen (nr. 11,12,13 en
16).
3e
Een romphoekvermindering van 10º, bij de
lage ligfiets geeft een snelheidstoename van
ongeveer 1,5
km/uur (nr. 14 en 3).
4e
Het bovenstuur geeft 1 km/uur snelheidstoename
ten opzichte van een onderstuur (3 en 5) bij
de lage ligfiets.
5e
De armen voor de borst gevouwen geeft een snelheidstoename
van ongeveer 2.5 km/uur ten opzichte van armen
naast het lichaam in onderstuurpositie (nr.
6 en 5).
6e
Een ruim zittend fietsjack geeft een snelheidsafname
van ± 0,8 km/uur t.o.v. een strak zittend
fietsshirt (nr. 2 en 3,alsmede 4 en 5)
7e
De racefietsen uitgevoerd met verschillende
type wielen geven geen significante snelheidsverschillen
bij 33-37 km/uur (nr 11, 12, 13)
8e
De racefietsen (nr. 1 6 versus 11, 1 2, 1 3)
laten onderling evenmin significante verschillen
zien.
9e
Het bolvormige stroomlijntje geeft de racefiets
een snelheidstoename van ongeveer 2,5 km/uur
(nr. 7 en 8).
10e
Het achteruittrappen (fietsbeweging nabootsen)
geeft een snelheidsafname van ongeveer 0,5 km/uur
(nr. 8 en 9).
11e
De geveerde vouwfiets en ATB laten een snelheidsafname
zien van ongeveer 0,5 km/uur in vergelijk met
de racefiets met ligstuur bij 250 W en 34 km/uur
(nr 18, 17 en 7)
12e
Een aanmerkelijk grotere en zwaardere fietser,
gekleed in spijkerbroek plus trui, romphoek
450 laat een snelheidsafname zien van ten opzichte
van een kleinere en lichtere fietser in een
racetenue, romphoek 30e. Beide gezeten op een
soortgelijke ligfiets (nr 19 en 15)
Oorzaak
De
gemeten snelheidsverschillen worden grotendeels
veroorzaakt door verandering in luchtweerstand.
Elke verandering in houding (bijvoorbeeld de
romphoek) van de ongestroomlijnde fietser zal
een verandering in luchtweerstand veroorzaken.
De luchtweerstand neemt toe (de snelheid af)
wanneer het totaaloppervlak van fiets plus fietser
toeneemt en omgekeerd. De luchtweerstand is
tevens afhankelijk van de luchtweerstandscoëfficiënt.
Deze coëfficiënt geeft aan hoe goed
of hoe slecht de langsstromende lucht een voorwerp
kan volgen. De vorm van het voorwerp (bijvoorbeeld
de fietser) is hiervoor bepalend. Een gestroomlijnde
fietser (bijvoorbeeld nr. 1) zal daarom minder
luchtweerstand ondervinden (bij een gelijkblijvend
frontaal oppervlak) en zijn snelheid zal toenemen.
Rolweerstand
De
invloed van de rolweerstand op de gemeten snelheidsverschillen
is van minder belang bij de gemeten snelheden.
Echter bij lagere snelheden bepaalt de rolweerstand
in meerdere mate de totale weerstand die de
fietser ondervindt. De onderlinge verhouding
luchtweerstand versus rolweerstand wordt goed
geïllustreerd door de meting van de ATB
(nr. 17) te vergelijken met de racefiets (nr.
7).
De ATB is voorzien van conventionele ATB-banden
(3 bar) en de racefiets van racebanden (7 bar).
Bij 34 km./uur is het verschil in snelheid een
0,5 km/uur. Uit de afzonderlijke vermogen-snelheid
grafieken (niet afgedrukt) is af te lezen dat
bij 96 W de racefiets een snelheid van 26 km/uur
bereikt en de ATB ongeveer 23 km/uur. Bij deze
lagere snelheden wordt de invloed van de hogere
rolweerstand van de ATB-band sterker merkbaar.
Zoals uit de grafieken blijkt kan van elke fiets
met fietser een vermogen-snelheidprofiel worden
opgesteld, waarbij de invloed van zijwind buiten
beschouwing wordt gelaten.
Voornemens
In
de toekomst willen we nog meer metingen verrichten
met andere houdingen en (gestroomlijnde) fietsen.
Ook is het de bedoeling om met bijvoorbeeld
een verstelbare ligfiets (hoekverstelling zitje,
hoogteverstelling crankstel) de invloed van
de lichaamshouding op het benodigde vermogen
nader te onderzoeken.
We hopen dat de resultaten van dergelijke onderzoeken
een bijdrage leveren aan de verdere ontwikkeling
van de fiets.
Met
vriendelijke fietsgroeten, Bert Hoge
Dit artikel uit het HPV-nieuws van April
1994 is met toestemming van Bert Hoge en de NVHP gescand en in tekst omgezet
door J Bol
|